De Vlaamse regering keurt vervangende eindtermen van twee Steinerscholen af. Voor David De Beukelaer is dat weer een verplicht ideologisch dieet voor de leerkracht.

Zaterdag werd ik wakker in het verleden, bevangen door het gevoel van een onderwijs-déjà vu. Had de Steinerschool dat gevecht niet al eens gewonnen? Die strijd voor de vrijheid om haar pedagogische project zelf in te vullen? Had het grondwettelijk hof in 1996 deze onderwijsvrijheid niet al eens gevrijwaard? Oordeelde het toen niet dat de eindtermen té gedetailleerd en te eng geformuleerd waren om nog van vrijheid van onderwijs te kunnen spreken? Is de commissie onderwijs zelf nog wel bij de les?

Sinds de eerste eindtermen onder minister Luc Van den Bossche in 1995 ijveren de Steinerscholen in Vlaanderen voor het recht op afwijking van de eindtermen. De cognitieve uniformisering van de eindtermen beperkt de mensvisie van de Steinerschool in die mate dat het de ontwikkeling van het kind verengt en de kunstzinnige benadering van leren bemoeilijkt.

De voorbije 25 jaar is de interpretatie van ‘kunstzinnig leren’ binnen het Steineronderwijs twaalf keer in eigen eindtermen uitgewerkt. Telkens leidde dit in overleg met de commissie onderwijs tot goed­gekeurde afwijkingen binnen het geldende decreet.

Dwing de leerkracht tot enge krijtlijnen en je ontneemt hem zijn klasse en vindingrijkheid

Het is dankzij voormalig onderwijsminister Hilde Crevits (CD&V) dat de mogelijkheid tot het aanvragen van deze afwijking nog bestaat. Als het van Koen Daniëls (N-VA) afhing, dan was deze bij wet voorziene optie allang gesneuveld. Blijkbaar heeft de Vlaamse overheid nu haar pijlen gericht op diversiteit en differentiatie. De regering keurt de vervangende eindtermen af (DS 20 december). Door de late regeringsvorming wordt minstens de schijn gewekt dat dit dossier er, zonder het overleg dat de commissies de voorbije twintig jaar zo kenmerkte, vlug wordt doorgeduwd.

 

 

Pedagogische massaproductie

 

Er is een rake cartoon die een uitspraak van Einstein verbeeldt: een vis, een aap, een olifant, een pinguïn en een (zee)hond worden gevraagd om allen in een boom te klimmen. Onder het mom van het gelijkheidsprincipe wordt deze ‘test’ als fair bestempeld. Dit beeld vormt het hart van de argumentatie die de Steinerschool aandraagt om haar project te verantwoorden: het testen (in haar huidige vorm) van vaardig­heden is vaak absurd.

Niet alleen ontwikkelt ieder kind zich anders en op eigen tempo, leeftijdsverschillen in een klas lopen vaak op tot meer dan twaalf maanden. Dan te verwachten dat ieder kind op één vastgelegde datum allemaal hetzelfde kan, is utopisch en neigt naar mishandeling. De goede leerkracht (lees: hij die er daar nog de tijd voor krijgt) kent de ontwikkeling van zijn leerlingen op ieder moment.

Voer de vegetariër eenheidsworst en hij verlamt. Ontneem de verpleger het verband en ze zien het zelf niet meer. Dwing de leerkracht tot enge krijtlijnen en je ontneemt hem zijn klasse en vindingrijkheid. Stuk voor stuk bewuste, vaak politiek-ideologische manoeuvres die het hart van onze samenleving diep verscheuren. Manoeuvres die ons allen strategisch isoleren tot stille lusteloze volgers. Keurig uitgedost in uniformen van de pedagogische massaproductie. Laat het nu net daar zijn waar de leerkracht meer kan geven.

 

 

Schooluitval en waterval

 

Het lijkt er steeds sterker op dat het onderwijs haar eigen plot is kwijtgeraakt. Sinds de vroege Grieken ontspon zich een strijd voor de rechten op intellectuele zelfbeschikking: gaande van voorwaarden als hulpbronnen en tijd, het recht om zelf te lezen, tot het vinden van de moed om voor onszelf te leren denken en gelijke kansen voor ieder kind af te dwingen. Deze logische evolutie is nu doorgegroeid tot een cultuur van nakauwen en ‘bewijzen van kunde’.

De enge focus op toetsen en scores is een ziekte. Politiek en bij uitbreiding veel ouders besmetten kinderen ermee. We vragen onze kinderen continu om beter te zijn dan anderen. Allemaal uit angst dat ze niet zouden passen in een markt waarvoor ze gekweekt lijken te worden. Deze vermarkting van ons onderwijs leidt nu al tot groteske schooluitval, een vertrapping van de waardering van de richtingen (het watervalsysteem) en een daaruit volgend minderwaardigheidscomplex bij falen in hoger aangeschreven richtingen.

Geen enkele school mag pretenderen goed te zijn voor ieder kind. Sommige kinderen aarden beter in kleinere klassen, anderen leren beter in groep. Het derde kind leert rekenen door te bewegen, een ander kind leest vlotter dankzij beelden. De strijd voor afwijkende eindtermen kadert volledig in dit licht: het creëren van een leeromgeving die ruimte maakt voor het tempo en de leerwijze van ieder kind. Want juist door het onderwijs veelzijdig en divers in te richten, maken we ruimte voor de aap én de olifant.

Uit: De Standaard, maandag 23 december 2019

 

Lees het artikel hier